De erfenis van 25 jaar Vinex mrt15

Tags

Gerelateerd

Delen

De erfenis van 25 jaar Vinex

In de periode 1987-1991 is met veel overtuiging en optimisme gewerkt aan de Vierde nota over de ruimtelijke ordening en de Vierde nota over de ruimtelijke ordening Extra. Deze nota, met enthousiasmerende ondertitel van “Op weg naar 2015”, bood een venster op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland voor de komende kwart eeuw. Met deze nota werd ingezet op de internationalisering van Nederland, de uitbreiding van Schiphol en de Rotterdamse haven, de aanleg van de Hoge Snelheidslijnen en de versterking van de bestaande steden. Terugblikkend van 2015, kunnen we constateren de Vierde nota een uitstekende aanzet heeft gegeven op de stedelijke ontwikkeling, maar dat het ook heeft geleid tot een hedendaagse vorm van Tulpenmanie *). De Derde nota over de ruimtelijke ordening (1976) en de Structuurschets stedelijke gebieden (1983) stimuleerden in de gespreide ontwikkeling van groeikernen, goed functionerende stadsgewesten en open bufferzones tussen de steden. De Vierde nota over de ruimtelijke ordening (1988) vormde met de kaartbeelden van de Ruimtelijke Hoofdstructuur en het Ruimtelijk Ontwikkelingsperspectief voor heel Nederland en de verschillende landsdelen de bestuurlijke aanzet tot het voorbereiden en realiseren van nieuwe infrastructuur en stedelijke knooppunten. De nota Volkshuisvesting (1989) signaleerde een potentiële groei van 5,4 miljoen woningen in 1986 tot 6,4 miljoen in 2000 en 7 à 7,5 miljoen in 2025. In de Vierde nota over de ruimtelijke ordening Extra (1991) worden van rijkswege forse budgetten ter beschikking gesteld om in deze stadsgewesten tientallen (en naar de nota genoemde) Vinex-locaties met in totaal vele tienduizenden woningen te ontwikkelen. En onder het motto “wie betaalt, bepaalt” wijst het Rijk op een ongekend gedetailleerd niveau ook de exacte locaties aan waar de lokale overheden deze woningen dienen te ontwikkelen.

De Vierde nota over de ruimtelijke ordening Extra luidt een periode in waarin in een hoog tempo de Vinex-locaties tot ontwikkeling worden gebracht. Het luidt ook een periode in waarin op grote schaal speculanten en ontwikkelende bouwbedrijven op grote schaal grondposities verwerven om te profiteren van de zeer snel stijgende grondprijzen. Het succes van de Vinex-locaties is de opmaat naar een nog groter optimisme. De ontwikkeling loopt zo voorspoedig dat er rondom de eeuwwisseling nieuwe Vinex-locaties, de zogenaamde post-Vinex-locaties worden aangewezen en dat, aangespoord door opportunistisch ingestelde ontwikkelende bouwbedrijven, ook de kleinere steden buiten de stadsgewesten forse woningbouwlocaties tot ontwikkeling gaan brengen. Zo nam de stad Ommen in het landelijk gebied van de provincie Overijssel en met slechts 8.500 inwoners zich in 2008 voor om een woonwijk met 700-800 woningen te realiseren in het volle besef dat de naastliggende gemeenten vergelijkbare plannen hadden. Het is illustratief te noemen dat er verschillende lijsten Vinex- en post-Vinex-locaties circuleren, maar dat al deze onderling lijsten verschillen. Deze verschillen in de opgenomen locaties en in de veronderstelde woning aantallen.

Emmen,14/9/11:beeld van de nieuwbouwwijk Delftlanden met lins de Rondweg.

De combinatie van alsmaar stijgende grondprijzen en huizenprijzen, een stabiele en lage rente, banken die bereid waren om hypotheken af te sluiten die hoger waren dan de actuele waarde van de woningen en gunstige fiscale regelingen voor particuliere huizenbezitters is op de korte termijn voor iedereen profijtelijk maar kan en kon op de lange termijn niet stand houden. Het maakte alle partijen – overheden, marktpartijen, banken en consumenten – blind voor de realiteit. Het houdt een keer op. De financiële en economische crisis van 2008 en een overvloed aan nieuwe bouwlocaties zorgde voor een harde landing. Wanneer we nu de balans opmaken dan zien we dat banken, ondanks de historisch lage rente, nauwelijks meer hypotheken verstrekken, dat vele ontwikkelende bouwbedrijven met ingenomen grondposities zijn omgevallen en dat vele gemeenten tientallen miljoenen hebben moeten afschrijven. Hieronder komen geven vijf betrokken vakgenoten hun visie op de erfenis van 25 jaar Vinex.

De Vierde nota

Hans Alders heeft als minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (1989-1994) de Vierde nota over de ruimtelijke ordening Extra met succes door de Tweede Kamer geloodst. “De Vierde nota Extra maakte opeens veel mogelijk”, zegt Hans Alders. “We kwamen eind jaren tachtig uit een diep economisch dal. Met de Vierde nota wilde het Kabinet het provinciaal en gemeentelijk bestuur hervormen en de markt stimuleren. Er was sprake van een noodsituatie. Er was een enorme behoefte aan woningen voor gezinnen en de opkomende middenklasse, maar de provincies, stadsregio’s en gemeenten kwamen er samen niet uit op welke wijze de steden en stadsgewesten zich verder moesten ontwikkelen. Het directief en op een vrij gedetailleerde niveau aanwijzen van de locaties in de Vierde nota Extra nota doorbrak deze impasse, maar tot bestuurlijke vernieuwing heeft het helaas niet geleid.”

“Vijfentwintig jaar later, in 2015, de planhorizon van de Vierde nota, zien we dat we voor een vergelijkbare opgave staan, maar met andere doelen en andere perspectieven. Om een voorbeeld te geven,” vervolgt Hans Alders. “Alleen in het noordelijk deel van de Randstad, rondom Amsterdam en Schiphol, is een behoefte aan nog een keer 300.000 woningen voor de komende 25 jaar. Hier ligt de vraag of de betrokken provincies, stadsregio en gemeenten er nu samen wèl uitkomen waar deze 300.000 woningen dan gebouwd zouden moeten worden. Dit volg ik met veel belangstelling omdat de politieke context waarin dit moet plaatsvinden namelijk heel anders is dan 25 jaar geleden. De rijksoverheid heeft met de opvolgers van de Vierde nota, respectievelijk de Nota Ruimte (2006) en de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), zich steeds meer teruggetrokken op kerntaken en laten de ruimtelijke ordening en inrichting van Nederland nu grotendeels over aan provincies, regio’s en gemeenten. Ik ben bang dat dit een vergissing is. Ik ben ervan overtuigd dat er op nationaal en Europees schaalniveau heel veel nieuwe vragen op ons afkomen waar we op rijksniveau een antwoord op moeten geven. Het is dan ook buitengewoon jammer dat we geen zelfstandig ministerie en autonoom planbureau meer hebben om hierin het voortouw te nemen.”

#527-10

Op de vraag naar zijn visie op de opgaven voor de toekomst hoeft Hans Alders niet lang na te denken. “Met de Vierde nota en de beleidsstukken die daarop volgden hebben we de trek naar de Randstad en de grotere steden buiten de Randstad en daarmee de voortdurende leegloop van de minder bevolkte delen van Nederland niet kunnen voorkomen. Ik vraag me tot op de dag van vandaag af wat we hieraan kunnen doen. In ieder geval niet door daar woningen te blijven bouwen. Dan gaat het wensdenken ons opbreken. In de krimpgebieden zijn we een beetje uitgebouwd en ligt de nadruk veel meer dan voorheen op het in stand houden van de kwaliteit van de gebouwde omgeving, infrastructuur en voorzieningen. Wellicht is energietransitie mede een oplossing voor dit probleem. Daarbij willen we de overgang maken naar een duurzame energievoorziening door het energieneutraal maken van de bestaande voorraad en het structureel inzetten van wind, zon, biomassa en geothermie. Niet dat dit de krimp tegen gaat, maar het vereist een andere wijze benaderen van kansen in een gebied, een nieuwe clustering van kringlopen en bedrijven en het is een bron van nieuwe en hoogwaardige werkgelegenheid. De krimpgebieden vallen vaak samen met het einde van de netwerken in de energie-infrastructuur. Om de energietransitie mogelijk te maken moet hierin fors worden geïnvesteerd.”

Er is altijd wel een markt

Harry Leggedoor is algemeen directeur van Geveke Bouw en Ontwikkeling, een van de grotere bouwbedrijven in de regio Groningen. “De bouw heeft tussen 1990 en 2010 gouden tijden meegemaakt. Alles wees op een steeds stijgende markt. Toenemende welvaart en nieuwe en soepele regels voor particulieren voor het financieren van woningen, nieuwbouw of bestaand, zorgde voor een prijsopdrijvend effect. In de hoogtij dagen hadden we 180 medewerkers. In de afgelopen paar jaar hebben we van 50 medewerkers afscheid moeten nemen. Heel veel andere bouwbedrijven hebben het overigens niet gered. Wij hebben het geluk gehad dat we vrij conservatief waren in onze grondposities. Achteraf gezien was sprake van een collectieve gekte. Gemeenten ontwikkelden steeds nieuwe en grotere bouwlocaties en de projectontwikkelaars en bouwbedrijven kochten, soms tegen beter weten in, bouwgrond in om maar niet de boot te missen. Nu is er twee derde over van de oorspronkelijke bouwmarkt. Voor ons was het een kwestie van zoveel als mogelijk de schade te beperken door af te slanken en door afscheid nemen van ingenomen grondposities. De oorzaak van dit alles is niet alleen terug te voeren op de economische recessie. Zoals ik het nu zie hebben we daarnaast te maken met een ‘triple dip’. De overheidsinvesteringen zijn sterk afgenomen, de banken verstrekken veel minder makkelijk dan voorheen hypotheken aan bedrijven en particulieren en de woningbouwcorporaties hebben zich, gedwongen door de overheid, teruggetrokken op hun kerntaken, namelijk het aanbieden van goedkope woningen.”

“Er is in paar jaar tijd veel veranderd. Bouwbedrijven zijn pragmatischer geworden, gericht op overleven,” zegt Harry Leggedoor bijna opgelucht. “Doordat de woningmarkt in korte tijd is omgeslagen van aanbod naar vraag gestuurd, moeten we veel meer dan voorheen grip krijgen op de werkelijke vraag. Dat is lastig voor alle betrokken partijen, zoals de gemeente, architect, installateur, makelaar en bouwbedrijf. De klant staat niet meer in de rij voor een standaard product dat we in markt neerzetten maar wil veel meer een product op maat en afgestemd op zijn wensen en mogelijkheden. Er is altijd wel een markt en om beter te begrijpen wat de klant wil en hoe we de klant aan ons kunnen binden maken we intensief gebruik van sociale media. Met deze benadering kunnen we dieper doordringen in de werkelijke en actuele vraag in de markt. Zo hebben we geleerd dat er behoefte is aan energie-neutrale en grondgebonden woningen in een bepaalde prijsklasse. Ik besef maar al te goed dat we ons hiermee richten op een specifieke en uitgesproken doelgroep van jonge mensen die actief zijn op de sociale media. Dit biedt ons geen enkel houvast hoe we om zouden moeten gaan met het lastige thema van de vergrijzende samenleving. Het is geen geheim dat 65-plussers vaak wel een latente verhuis behoefte hebben maar niet heel erg actief zijn op sociale media.”

#527-09

“Diep in mijn hart ben ik blij dat de marktomstandigheden zijn genormaliseerd”, besluit Harry Leggedoor. “Als we over een jaar of tien terugkijken naar de gouden decennia 1990-2010 en vooral naar de periode daarna, dan ben ik ervan overtuigd dat we de periode 2010-2020 niet meer zien als een periode van crisis, maar eerder als een periode waarin een zwaar overspannen markt weer tot rust kwam. Doordat de huizenprijzen bleven stijgen en de financiering makkelijk was te regelen en ook nog redelijk goedkoop was, zagen woonconsumenten hun woning steeds meer als een beleggingsobject. De woning werd immers in vrij korte tijd heel snel meer waard. Nu is er sprake van een omgekeerde situatie. De prijzen zijn gedaald door een overschot aan nieuwe en bestaande woningen die op de markt worden aangeboden en de banken verstrekken, zeker bij de huidige lage rentestand, met de grootst mogelijke terughoudendheid nog hypotheken. In Noord-Nederland, waar de markt al een stuk dunner is dan in de Randstad, betekent dit dat we veel scherper en veel meer marktgericht moeten opererend dan voorheen.”

Wennen aan de nieuwe realiteit

Elles Dost heeft een lange staat van dienst in de volkshuisvesting. Zij is nu directeur van woningcorporatie Actium met 16.000 huurwoningen in acht gemeenten en 70 dorpen en steden in Noord-Nederland. “Onze kerntaak is het aanbieden van betaalbare woonruimte aan starters, mensen met lagere inkomens en ouderen. We hebben een lastige tijd achter de rug waarin gemeenten elkaar beconcurreerden door steeds meer uitbreidingswijken te ontwikkelen zonder er bij stil te staan wie er dan zouden moeten komen te wonen en zonder na te denken over de lange termijn effecten op de bestaande voorraad. Er zijn in de periode van snelle groei en ontwikkeling over de volle breedte heel veel verhuisbewegingen geweest. Nagenoeg iedereen die het kon veroorloven heeft stappen gezet in zijn of haar wooncarrière. Er was een trek naar nieuwere woonwijken waardoor de oudere en kwetsbare woonwijken verschraalden en zich in sommige gevallen versneld vervielen tot probleemwijken. Als je onder de huidige omstandigheden nog doorgaat met het ontwikkelen en aanbieden van betaalbare woonruimte in de nieuwbouwwijken, dan vergroot je de problemen op andere plekken in de stad.”

Woningcorporaties namen vaak deel aan projecten die hun kerntaak ver te boven gingen. “Omdat woningcorporaties konden beschikken over kredieten met een langere termijn dan bouwbedrijven en projectontwikkelaars, waren de woningcorporaties welkome partners in publiek-private samenwerkingen voor bijvoorbeeld het herontwikkelen van centrumgebieden of het hergebruik van industrieel erfgoed. Zo kon het gebeuren dat woningcorporaties behalve woningen ook gebouwen voor winkels, kantoren, horeca, scholen en bibliotheken gingen beheren en verhuren. Dit heeft geleid tot excessen, zoals het innemen van risicovolle grondposities en het aankopen en herbestemmen van een cruiseschip tot hotel en opleidingsplek voor jongeren. Het heeft ook geleid tot soms wel tot hele creatieve voorstellen. Zo kreeg de woningcorporatie waar ik voorheen werkte het serieuze aanbod om als maatschappelijke instelling een stevige bijdrage te leveren aan het verplaatsen van een dierentuin. Indirect zouden wij dan mede verantwoordelijk zijn voor het huisvesten van tijgers, giraffen en nijlpaarden.”

#527-08

Gedwongen door de nieuwe economische omstandigheden en door aangescherpt beleid vanuit de rijksoverheid richten woningcorporaties zich nu weer op hun kerntaken. “Dit is begrijpelijk, maar wel in deze tijden wel gemiste kans,” vervolgt Elles Dost. “Omdat we ons richten op de zwakkere groepen in de samenleving en huishoudens met lagere inkomens ligt het voor de hand om net iets meer te doen dan alleen geschikte en betaalbare woningen aan te bieden. Door het wegtrekken van jongeren uit de dorpen en de toenemende vergrijzing hebben we nu te maken met een grote groep mensen die extra zorg en begeleiding nodig hebben. Steeds meer instellingen, verpleegtehuizen en wooncomplexen worden gesloten. Hierdoor zijn ouderen gedwongen om langer thuis te blijven en zijn families en gezinnen meer op zichzelf aangewezen. In deze tijd moeten we tering naar de nering zetten en we moeten ons als samenleving realiseren dat we in de dorpen niet meer de voorzieningenstructuur in stand kunnen houden. Onze ervaring leert dat lagere inkomens naar plaatsen trekken waar meer voorzieningen zijn. Dit is een nieuwe realiteit en het stelt provincies, gemeenten en woningcorporaties voor nieuwe opgaven. Veel meer dan voorheen richten wij ons nu vooral op het aanpassen van onze bestaande voorraad aan de eisen van deze tijd, het energiezuinig of energieneutraal tegen acceptabele kosten en op het ontwikkelen en aanbiedingen van woningen in of in de buurt van winkels en voorzieningen. Dit is maatwerk. Elke stad of dorp in ons verzorgingsgebied heeft een andere vraag of specifieke opgave die we samen met de desbetreffende gemeente willen oppakken.”

Nu sturen we anders

Alfred Kazemier is directeur Ruimtelijk Beleid & Ontwerp van de gemeente Groningen, de universiteitsstad van het Noorden met 200.000 inwoners. De universiteit heeft 55.000 studenten waarvan er 30.000 in de stad wonen. “Als grootste stad van het noorden en met de universiteit hebben we een bijzondere positie en een grotere aantrekkingskracht dan andere steden in het noorden. Ons aandeel in de Vinex-opgave met 900 woningen was destijds relatief klein, maar volgens de laatst gemaakte afspraken in het kader van de Vijfde nota hebben we in de regio Assen-Groningen een bouwopgave tot 2030 van 20.000 woningen, waarvan 10.000 woningen in of bij de stad Groningen. We bouwden tien jaar geleden nog tussen de 900 en 1.300 woningen per jaar. Daar was na de crisis bijna niets meer van over. Maar de laatste twee jaar trekt het weer wat aan. Dit komt in eerste instantie door de uitgestelde vraag die nu alsnog wordt gerealiseerd. De wilde jaren zijn voorbij en komen ook niet meer terug. We hebben meer tijd om te werken aan kwaliteit, projecten zijn kleinschaliger, veel meer gevarieerd en veel meer afgestemd op de individuele wensen van de kopers. We zitten als gemeente ruim in de grondposities voor zowel woongebieden als bedrijventerreinen en kunnen daardoor veel meer dan voorheen faciliterend en randvoorwaarde scheppend te werk gaan zodat marktpartijen en woningcorporaties hun werk kunnen doen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de gemeenten om Groningen heen het een stuk moeilijker hebben. Daar komen nieuwe woningbouwprojecten maar mondjesmaat op gang.”

#527-07

“De dynamiek in onze stad is grotendeel terug te voeren naar de universiteit en het universitaire ziekenhuis dat zich richt op ‘healthy ageing’. Groningen staat ook wel bekend als de energiehoofdstad van Nederland en richt zich vooral op energietransitie en duurzaamheid. We merken dat de arbeidsmarkt en de studentenmarkt internationaliseert. Dit stimuleert de vraag naar kleine en hoogwaardige woningen in een stedelijke omgeving. We zien de plekken waarop de universiteit is gevestigd en de historische binnenstad steeds meer als een samenhangende campus. Dit past in onze doelstelling om als stad in het stedelijk netwerk Groningen-Assen een steviger rol te spelen in Noordwest-Europa. Door de aanwezige onderwijsinstellingen en het hoge opleidingsniveau is Groningen een “City of Talent”. De continue stroom van studenten staat borg voor innovatie en voortdurende vernieuwing. Dit dwingt ons om een tweesporenbeleid te voeren. Enerzijds verbeteren en intensiveren wij de naoorlogse woonwijken om de binnenstedelijke vraag te accommoderen met veel kleinschalige en hoogwaardige projecten die zijn afgestemd op de woonwensen van jongeren en anderzijds streven wij ernaar om de stad met hoogwaardige en intensieve laagbouw in onderscheidende woonwijken dichtbij de stad uit te breiden. Dit doen we anders dan voorheen. Nu combineren wij dit bijvoorbeeld, in nauwe samenwerking met de provincie Groningen, met de wateropgave om in en rondom de stad om voldoende waterberging te realiseren.”

Doorgeschoten

Henk Kieft is directielid en partner van KAW, een bureau voor stads- en wijkvernieuwing met een voor Nederland bijzondere combinatie van disciplines, architectuur, stedenbouw, bouwkunde en met expertise in demografie, wonen, zorg, onderwijs en procesmanagement. “Wij opereren al jaren uitsluitend in de bestaande stad en in de bestaande woonwijken en buurten. De hele Vinex-opgave is langs ons heen gegaan, maar heeft ons niet ongeroerd gelaten. Wat wij hebben gezien is dat de drang naar uitbreiden in veel gemeenten is doorgeschoten. De bovenlaag is uit veel bestaande woonwijken weggetrokken naar de nieuwe woonwijken. Dit is niet goed geweest voor de diversiteit en vitaliteit van de oudere woonwijken. Die herstellen daar nu pas van. De uitleg was toen makkelijk, inbreiding was complex en duur. Ik heb zeer onlangs kennis genomen van een onderzoek naar de financiële gevolgen van de economische crisis bij gemeentelijke grondbedrijven uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Uit dit onderzoek blijkt dat gemeenten tussen 2010 en 2013 op hun grondbeleid in totaal 4 miljard euro verlies geleden hebben. Sommige bronnen spreken zelfs over een veelvoud van dit bedrag. Dit zijn geen kinderachtige bedragen. Uit het onderzoek blijkt ook dat er grote regionale verschillen zijn. Formeel is de Vinex-opgave in 2005 beëindigd en daar had het dan ook bij moeten blijven. Het lijkt wel of de hele Vinex-opgave onder een strakke regie stond, maar gemeenten die buiten de Vinex-opgave om en zonder na te denken zijn gaan uitbreiden, zijn te weinig door de rijksoverheid en provincies gewezen op de gevaren en risico’s op de korte en lange termijn. Wij hebben onlangs invulling gegeven aan een onderzoek waarin wij de woningbouwopgave voor het stedelijk netwerk Groningen-Assen hebben geanalyseerd en geëvalueerd. Een van de uitkomsten was dat er voor de komende twee decennia twee maal zoveel bouwlocaties ontwikkeld waren dan er in het meest optimistische scenario behoefte aan zou zijn. Op basis daarvan hebben gemeenten en regio toen hun productievoornemens bijgesteld.”

#527-06

“De situatie die wij nu zien in de samenleving is dat door het overschot van aanbod aan woningen op de markt veel mensen gevangen zitten in hun eigen huis. De waarde van de woningen is gedaald maar de individuele en soms risicovolle afspraken met de bank zijn ongewijzigd. Bij verkoop moeten de eigenaren een fors verlies incasseren en dat kunnen ze zich vaak niet veroorloven. Deze mensen wonen niet meer in hun woning van hun dromen, maar in een mislukt financieel product met alle maatschappelijke ellende, zoals stille armoede, van dien,. Wij zijn als bureau druk doende om zowel de corporatieve als de particuliere bestaande woningvoorraad energiezuiniger te maken door het aanbieden van kant-en-klare producten, zoals nul-op-de-meter-renovaties. Daardoor kunnen energielasten dalen en ontstaat er soms weer een geheel nieuw product. Maar het is lange adem, nog incidenteel en de financiering is in dit land nog steeds een zorgenkindje. In zekere zin zijn de doorgeschoten post-Vinex-locaties ook een blok aan het been van veel gemeenten, zeker buiten de Randstad zoals hier in het noorden. Door de vergrijzing komen nu en in de komende jaren veel woningen op de markt in de authentieke, karaktervolle en oudere woonwijken. Deze woonwijken liggen dicht bij het centrum, vaak gunstig geprijsd, zijn zeer gewild en zijn nu geen aanvulling, maar een geduchte concurrent van de vaak eentonige en goedkoop opgezette nieuwbouwwijken en –buurten, waar soms een kwart of een derde van de woningen te koop staat. Deze wijken kennen een erg korte afschrijvingsperiode. Zolang het goed ging, heeft iedereen in de keten – gemeente, bouwbedrijf, woonconsument – voordeel gehad bij deze speculatie. Als de markt implodeert, dan zijn er ook heel veel verliezers die met een forse schade achterblijven. De tijd van forse stedenbouwkundige ingrijpen is nu even voorbij. Herstructurering zal zich derhalve meer gaan manifesteren als een nieuwe, intelligente, chirurgische manier van herstructurering van onderop.”

2015 Het Jaar van de Ruimte

Het jaar 2015 was ooit de ‘opleverdatum’ voor de Vierde nota over de ruimtelijke ordening. Het jaar 2015 markeert ook een halve eeuw na het vaststellen van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Deze wet regelt hoe ruimtelijke plannen in Nederland tot stand komen en gewijzigd worden. Vanwege deze twee mijlpalen organiseert en viert het Ministerie van Infrastructuur en Milieu in 2015 het Jaar van de Ruimte, een jaar met maatschappelijk, politiek en professioneel debat over de ruimtelijke toekomst van Nederland. Bij het Jaar van de Ruimte zijn vrijwel alle relevante organisaties en instellingen in de ruimtelijke ordening van Nederland betrokken. Het motto voor het Jaar van de Ruimte 2015 is “Wie maakt Nederland?”. In het Jaar van de Ruimte staat Nederland uitgebreid stil bij hoe onze leefomgeving tot stand is gekomen en hoe we de gebruikers van de ruimte meer kunnen betrekken bij de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland. Een relevante discussie in een land dat wereldberoemd is als laaggelegen en dichtbevolkt, maar goed geordend netwerk van steden, dorpen en landschappen. Van heinde en verre komt men onze polders, nieuwe steden, stadsvernieuwing en waterwerken bekijken.

Waren 25 jaar geleden bij de start van de Vinex-operatie overheden aan zet, als het aan Ministerie van Infrastructuur en Milieu ligt dan bepalen de gebruikers, de waterschappen en de regionale en lokale overheden de komende 25 jaar hoe Nederland er uit komt te zien en hoe steden, dorpen en landschappen zich ontwikkelen. Het Jaar van de Ruimte gaat over actuele onderwerpen en over “de kwaliteit van leven”. Hoe kunnen toekomstige generaties veilig, gezond, welvarend, betekenisvol en duurzaam leven in het land beneden de zeespiegel? Om de discussie in tal van bijeenkomsten, publicaties, dialogen en debatten aan te wakkeren zijn vijf vergezichten opgesteld: Nederland Productieland, Nederland Netwerkland, Nederland Kringloopland, Nederland als één grote stad en Groen en Blauw Nederland. Tijdens de landelijke startbijeenkomst op 15 januari 2015 is er een “openingsbod” gedaan en zijn drie onvermijdelijke opgaven geformuleerd: Integreer ruimte en water, transformeer de energievoorziening en versterk de internationale positie om de concurrentiekracht van Nederland te versterken.

#527-01

Tijdens de startbijeenkomst van het Jaar van de Ruimte gaf Minister van Infrastructuur en Milieu Melanie Schultz van Haegen onomwonden aan dat, wat haar betreft, de tijd van nationale ruimtelijke blauwdrukken voorbij is en dat de regering bewust kiest voor ruimtelijke ordening van onderop dat regionale en lokale overheden in staat stelt om eigen afwegingen te maken. Het Jaar van de Ruimte valt samen met een enorme wetgevingsoperatie, het vervangen van 40 wetten, waaronder de Wet Ruimtelijke Ordening, door Omgevingswet. En als de Omgevingswet in 2018 van kracht wordt, hoort daar een Nationale Omgevingsvisie bij. Daarin staan de strategische keuzes op het gebied van ruimte, water, verkeer, vervoer en milieu. Deze Omgevingsvisie zal geen blauwdruk voor de toekomst worden, het moet volgens Schultz van Haegen wel een heel inspirerend verhaal worden over ambitie, mogelijkheden en keuzes.

Het Jaar van de Ruimte wordt vooral een jaar om vooruit te kijken. De organisatoren van het Jaar van de Ruimte zouden er goed aan doen om behalve vooruit te kijken, ook tevreden en kritisch terug te blikken op de afgelopen 25 jaar. De Vierde nota over de ruimtelijke ordening en de Vierde nota over de ruimtelijke ordening Extra waren ook vergezichten op de toekomst, maar deden wel, waar nodig, gedetailleerde uitspaken over ruimtelijke structuren en oplossingen. De Vijfde nota over de Ruimtelijke Ordening (2001), de Nota Ruimte (2006) en de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), hebben de Vierde nota over de ruimtelijke ordening en de Vierde nota over de ruimtelijke ordening Extra nimmer kunnen evenaren in effectiviteit. Dat na 2005, het formele einde van de Vinex-opgave, gemeenten samen met de marktpartijen en met volledige medewerking van de provincies als kippen zonder kop bleven uitbreiden met als gevolg een crisis die sterk lijkt op de Tulpenmanie uit de Gouden Eeuw, is bepaald geen geruststellend perspectief voor de toekomst. De Nederlandse praktijk van ruimtelijke ordening is zeer sterk in het steeds opnieuw uitvinden van de toekomst, maar buitengewoon zwak in het leren van het verleden.

Martin Dubbeling (1961) is stedenbouwkundige en auteur van uiteenlopende onderzoeken, publicaties en artikelen. Hij werkt als adviseur onder de naam Connecting Cities (www.connectingcities.eu) in en buiten Nederland. Daarnaast is Martin Dubbeling Vice President Urban Planning Advisory Teams (UPATs) van ISOCARP, the International Society of City and Regional Planners (www.isocarp.org).

 

Eindnoot

*)  In Nederland vond midden in de Gouden Eeuw de eerste speculatiekoorts in de moderne geschiedenis plaats. In de Europese steden waren tulpen zeer geliefde bloemen. Er werden grote bedragen betaald voor zeldzame exemplaren en tulpenbollen. De Haarlemse Tuinbouwkundige Vereniging loofde in 1634 een premie van honderdduizend gulden uit voor een volkomen zwarte tulp. Een voor die tijd ongekend vermogen. De stad Haarlem voegde daar eenzelfde bedrag aan toe. Dit leidde tot een ongekende speculatie in de handel van tulpenbollen en in opties op tulpenbollen die nog in de grond zaten. In 1637 kwam de speculatie tot een abrupt einde toen tulpenbollen evenveel waard waren als een Amsterdams grachtenpand en het aanbod in aanvankelijk schaarse tulpenbollen in korte tijd sterk was gestegen. Duizenden handelaren en speculanten raakten al hun geld en bezittingen kwijt. Deze periode van hebzucht en speculatie staat bekend als de Tulpenmanie.

 

Literatuur

  • Derde nota over de ruimtelijke ordening, deel 2: verstedelijkingsnota, deel 2a: beleidsvoornemens over spreiding, verstedelijking en mobiliteit, Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, 1976.
  • Structuurschets stedelijke gebieden, deel a: beleidsvoornemen, Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, 1983.
  • Vierde nota over de ruimtelijke ordening, deel a: beleidsvoornemen, Op weg naar 2015, Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, 1988.
  • Volkshuisvesting in de jaren negentig, van bouwen naar wonen, Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, 1989.
  • Vierde nota over de ruimtelijke ordening Extra, deel I: ontwerp – planologische kernbeslissing, Op weg naar 2015, Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, 1990.
  • Vierde nota over de ruimtelijke ordening Extra, deel III: kabinetsstandpunt, Op weg naar 2015, Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, 1991.
  • De periferie centraal, inspiratie en ambities bij de ontwikkeling van perifere Vinex-locaties, N. De Vreeze (red.), Simuleringsfonds voor Architectuur, 1994.
  • Groeten uit Zoetermeer, stedebouw in discussie, Ivan Nio en Arnold Reijndorp, NAi Uitgevers, 1997.
  • Vinex structuurvisies, stemmingen en koersen, W. van de Poll, Nederlands Instituut voor Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting, 1997.
  • Buitengewone steden, parade van 20 Vinex-locaties, L. Baljon, M.A. Visser, Simuleringsfonds voor Architectuur, 1998.
  • Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening, Ruimte maken, ruimte delen, Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, 2001.
  • Evaluatie Verstedelijking Vinex 1995 tot 2005, Eindrapport, Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, 2006.
  • Nota Ruimte, Ruimte voor ontwikkeling, Ministeries van VROM, LNV, VenW en EZ, 2006.
  • Vinex Atlas, J. Boeijenga en J. Mensink, Uitgeverij 010, 2008.
  • Stadtumbau Niederlande, Thesen der Expertenbefragung zu 2010, M. Dubbeling, M. Meijer, S. Netsch, in Planerin 4-08, seite 55 und 56, 2008.
  • Groningen, Stad op Scherp, structuurvisie 2008-2020, gemeente Groningen, 2009.
  • Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig, Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 2012.
  • Toespraak van Minister Schultz van Haegen (Infrastructuur en Milieu) bij de opening van het Jaar van de Ruimte op 15 januari 2015 in Amsterdam.
  • Interviews met Harry Leggedoor (08 januari 2015), Elles Dost (13 januari 2015), Hans Alders (11 februari 2015), Alfred Kazemier (11 februari 2015) en Henk Kieft (20 februari 2015).
  • Aanbieden rapport Financiële positie gemeentelijke grondbedrijven (actualisatie 2014), brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van de Minister van Infrastructuur en Milieu, 26 februari 2015.

 

Publicatie

Dit artikel is in maart 2015 in verkorte vorm gepubliceerd in het Duitse vakblad ‘Planerin’ 02-15, pagina 29-31 onder de titel ‘Das Erbe von 25 Jahre VINEXentwicklung, Ende des grossen Planes’. Download hier het artikel: DOWNLOAD #527_Das Erbe von 25 Jahre VINEXentwicklung